Nachtruiter Herman Coenen doorkruist in december stad en land en beschrijft de levensverhalen die hij tegenkomt. Dagelijks vertelt hij daarvan. Dit is zijn eerste verhaal.
Ik trek het gordijn open. Wit, alles is wit. Het heeft gesneeuwd.
En even ben ik in jouw bergen. De bergen waar jij bent opgegroeid. Salzkammergut, het Alpenvorland tussen Salzburg en Linz. Drie keer in de week ging je lopen, een berg van duizend meter op.
Gisteren keek ik uit je keukenraam, flatgebouw in Noord, zevende verdieping.
‘Heeft wel wat, zo hoog’, zei ik.
‘Ik zou liever op de grond wonen. Contact hebben met de bodem. In de tuin kunnen werken, met mijn handen in de aarde. Ik ben een buitenmens, ik houd erg van de natuur.’
En meteen was er contact tussen ons. Herkenning. Vreemd snel, want wat hadden wij nou van elkaar gezien? Jij was voor mij de oranje en zwarte schim die vorige week aan het raam voorbij schoof. ‘De postbode’, zei ik. ‘Dat is Alfred’, zei mijn lief. ‘Hij komt uit Oostenrijk. Woont hier al een hele tijd.’
En ik wist dat ik je wilde ontmoeten.
Nu, een week later, zitten we te praten alsof we nooit anders hebben gedaan. Lotgevallen uitwisselen. Ik, nieuwsgierig naar jouw leven – jij, luisterend naar wat ik heb meegemaakt.
We drinken thee. Ik eet van je ‘Lebkuchen’. Zelf gebakken, zeg je. Een geur van Kerstmis dwarrelt de keuken binnen.
‘Ja’, zeg je ‘ik mis de bergen. Maar ook niet. Het is alleen maar in mijn hoofd. Toen ik hier kwam, twaalf jaar geleden, was ik steeds op zoek naar iets dat vergelijkbaar was met lopen in de bergen. Op een gegeven moment ging ik fietsen. En ik zag hoe mooi het hier is, een landschap met een heel eigen schoonheid. Ik ga dus veel naar buiten, lange stukken hardlopen, fietstochten maken van over de honderd kilometer.’
… ‘Ik kan zo vaak naar Oostenrijk gaan als ik wil. En als ik er ben, is het alsof ik nooit ben weggeweest. Iedereen kent me in mijn oude stadje. Daar verandert maar weinig. En mijn moeder woont er nog. Ik ben haar jongste, haar “Nestheckie”. Maar na twee weken verheug ik me er toch weer op naar Tilburg te gaan.’
… ‘Ik ben meer met mijn leven bezig dan vroeger. Ik kijk naar mezelf. En dan zie je hoe je van alles een verhaal maakt. Maar dat is alleen maar lucht. Uiteindelijk ben je zelf verantwoordelijk hoe het met je gaat. Dat te beseffen maakt me dankbaar.’
…’Het is ook zo belangrijk hoe we met elkaar omgaan. Dat er respect is. De poststaking bijvoorbeeld, ik was er ook bij. Dan zijn er mensen die niet meedoen en toch gaan werken. Anderen zijn daar weer boos over, maar ik zeg: “Laat ze gaan, ik kan niet voor hen beslissen.”
…’Postbode, als kind van vijf vond ik dat al zo’n mooi vak. “Als ik groot ben, wil ik dat ook.”
Ik doe het nog altijd graag. Al is het niet meer wat het is geweest. Ze hebben het helemaal uitgekleed. Triest. En alleen om het geld. Ze willen uitsluitend nog heel goedkope krachten, een soort moderne slavernij. En toch, ik kies en daar ben ik zelf verantwoordelijk voor.’
Je kijkt me aan, open, zonder voorbehoud. Met je grote ogen, diep als bergmeren.
Herman Coenen